Waarom lactaat meten

Lactaat wordt gevormd vanuit pyruvaat indien onvoldoende O2 aanwezig is om pyruvaat in de Krebscyclus te verbranden. De omzetting van pyruvaat naar lactaat levert nog altijd ATP op maar gaat uiteindelijk ten koste van een metabole acidose. Een inadequate weefselperfusie (shock) zal dus altijd gepaard gaan met een verhoogde lactaat vorming maar hoeft niet altijd te leiden tot een verhoogde lactaatspiegel in het bloed. De lever is in staat om lactaat te metaboliseren en indien de extractie van de lever gelijke tred houdt met de vorming dan zal de serumspiegel niet stijgen. Hier staat tegenover dat patiënten met een leverfalen vaak een verhoogde lactaat spiegel hebben zonder dat er sprake is van een afgenomen weefselperfusie. Een belangrijke opmerking is nog op zijn plaats. Tijdens sepsis wordt de verbranding van glucose gestimuleeerd door activatie van het “rate limiting” enzym fosfofructokinase. Hierdoor wordt een grote hoeveelheid pyruvaat gevormd. Het evenwicht met lactaat wordt hierdoor iets verschoven zodat de lactaatspiegel in het bloed van sepsis patiënten kan toenemen zonder dat er sprake is van inadequate weefselperfusie. Het lactaatgehalte blijft dan meestal wel onder de 5 mmol/l. Hierboven moet men toch zeer bedacht zijn op een inadequate weefselperfusie

Voor een doeltreffende werking van de spieren is de levering van energie noodzakelijk. Deze heeft plaats in de spiercellen via zgn. energierijke fosfaatverbindingen (ATP), die slechts in geringe mate worden opgeslagen en bij belasting weer snel worden verbruikt. Bij een gematigde belasting gebeurt de herbevoorrading of regeneratie van het lichaam via de zgn. celstofwisseling. In dit proces wordt zuurstof gebruikt (aëroob metabolisme) om de uit het voedsel gewonnen glucose en vetzuur af te breken. De celstofwisseling stelt zich afhankelijk van de belasting op de energiebehoefte in, maar de maximale energiestroom is natuurlijk wel beperkt.

 

Bij een verhoogde belasting van de spieren gebeurt de energielevering daarom steeds meer zonder de medewerking van zuurstof via de zgn. anaërobe lactische energielevering. Als stofwisselingsproduct ontstaat dan melkzuur, waarvan het zout lactaat wordt genoemd.

 

Zolang de lactaatwaarde zich op een niveau bevindt waarbij de verhouding van lactaatvorming en –afbraak in evenwicht is (“steady state”), mag de trainingsbelasting verder worden opgevoerd. Vanaf een bepaald belastingsniveau, afhankelijk van de individuele conditie van de sporter, neemt het lactaatgehalte in het bloed echter buitenproportioneel toe, omdat er door de stijgende anaërobe stofwisseling meer lactaat wordt gevormd dan er door de aërobe stofwisseling weer kan worden afgebroken. Hier spreekt men van de aëroob-anaërobe drempel.

 

Uit de sportgeneeskunde is gebleken dat er zich bij een gerichte training op het gebied van de aëroob-anaërobe drempel een markante verbetering van het uithoudingsvermogen voordoet: de concentratie aan enzymen die bijdragen tot de aërobe energiestofwisseling neemt toe, de mitochondriën als “krachtcentrales” van de cel vermeerderen zich en worden groter, het capillaire opnamesysteem van voedingsstoffen in de spiercellen breidt zich uit en er doet zich een grotere glucosetolerantie en een regelmatigere hartwerking voor. De spiercellen maken dus ook bij een hogere spierbelasting gebruik van de efficiëntere energiewinning via de celstofwisseling, waarbij behalve koolhydraten ook vetten worden afgebroken. Zo is het mogelijk om de prestaties maximaal op te voeren en dus optimale trainingsresultaten te verkrijgen.

Omgekeerd treden er bij te zware inspanningen of bij niet-aangepaste trainingen, zoals vaak te zien is bij amateur-sporters, hoge lactaatwaarden boven de anaërobe drempel op. Hierdoor verzuren de spiercellen, zodat het prestatievermogen van de betrokken spierregio snel afneemt en de gewenste structurele veranderingen in het spierweefsel nauwelijks plaatsvinden. Dit kan een hoge inefficiëntie van de training, verminderde vetafbraak en in het uiterste geval zelfs schade voor de gezondheid tot gevolg hebben.

 

Als u naast de zuivere controlefunctie ook uw trainingsresultaten via de lactaatmeting wilt verbeteren, verdient het aanbeveling om zgn. fasetests uit te voeren. Hierbij wordt uitgaand van een rustwaarde in meerdere, geleidelijke verhoogde belastingsniveaus een belastingsafhankelijke lactaatcurve opgemaakt. Een regelmatige bepaling van zo’n curve gedurende een langere periode maakt een precieze afstemming van de individuele trainingseisen mogelijk.

 

De gemiddelde rustwaarden liggen ergens tussen de 0,9 en 2,0 mmol/l, de vaste anaërobe drempelwaarde bij 4 mmol/l. Afhankelijk van de individuele stofwisselingsverhoudingen kan de individuele anaërobe drempelwaarde (IANS) bij goed getrainde personen ook tussen 2,5 – 3 mmol/l liggen en bij niet-getrainde personen tussen 5 – 6 mmol/l. Deze waarde kan via individuele testreeksen tijdens de trainingen worden berekend